In de loop der jaren heeft Tim Gladdines regelmatig verhalen mogen schrijven voor tijdschriften als Boekie-Boekie, Taptoe, Sesamstraat, Jippo en Okki. Hieronder een paar voorbeelden.

EEN KUS VOOR MIER

Ik ben Roos.
Ik ben een reus.
En dus ben ik Reus Roos!

Ik loop in mijn tuin.
Op zoek naar Mier.
Mier is lief.
Ik ben ook lief.
Maar Mier nog meer.
Mier is wel tien keer lief.

Ik kijk om me heen.
Ik loer en ik tuur.
Maar Mier zie ik niet.
Mier!
Waar ben je?

Ik zoek in de wei.
Bij het hek.
In de boom.
Ik roep me rot.
Ik zoek me zot.

Ik kom in heel de tuin.
Ik zoek wel een uur.
Een week.
Een jaar!
Ik zoek tot ik moe ben.

Ik lig in de wei.
Ik voel me rot.

Mier!
Waar ben je naar toe?
Ben je op reis?
Dat zal het zijn.
Mier is op reis.
En ik mag niet mee.
Rot Mier!

Maar, wat is dat?
Ik voel op mijn teen…
Ik voel een…
Wat?
Is dat waar?

Ik kijk naar mijn teen.
En ik zie: het is waar!
Het is wel tien keer waar.

Mier!
Daar ben je!
Je was dus niet op reis.
Je was hier.
Bij mij in de tuin.

Ik geef je een kus.
Een reus van een kus.
Een kus op je neus, Mier!


Voor Okki
199 woorden
augustus 2004
Tim Gladdines

LACHEN!

‘En? Doe je het?’
Pieters stem klonk zacht en hees. We stonden in de brandgang achter onze huizen. Er was niemand in de buurt en toch fluisterde Pieter alsof we elk moment betrapt konden worden. ‘Ga je nou mee inbreken of niet?’
Ik zei niets. Mijn benen werden wiebelig. Pieters hoofd was vlak bij. Zijn ogen priemden in de mijne, alsof hij wilde inbreken in mijn gedachten.
‘Wat kan er nou gebeuren, man?’
‘Niks,’ zei ik. Mijn stem klonk haast nog zachter en heser dan de zijne. Hij had gelijk. Waar was ik bang voor?
‘Nou dan.’ Hij lachte en duwde tegen mijn schouder zodat ik achteruit wankelde. ‘Vannacht, goed? Als iedereen slaapt. Om twee uur, hier in het gangetje.’
‘Maar hoe -’ begon ik.
‘Je moet niet zo zeuren. Zet maar een wekker. Als je geen herrie maakt, merkt je moeder niks. Doe je het nou?’
Ik knikte. Ik wilde niet, maar ik knikte toch. Nee zeggen tegen Pieter lukte nooit. Als hij een plan in zijn kop had, zou het gebeuren. Wat ik ook zei, wat ik ook deed.
En nu wilde hij gaan inbreken. Niet echt, natuurlijk. Niet om iets te stelen. Maar wel bijna echt. Om Sjoerd Jacobson te pesten. ‘Lachen man!’ vond Pieter.
Mijn moeder heeft de reservesleutel van de achterdeur van de familie Jacobson. Daar gaat ze een paar keer per week de planten water geven. Sjoerd is met zijn ouders op wintersport, vandaar.
‘Je zei dat die sleutel voor het grijpen ligt. In de keukenla. Toch?’
Ik knikte maar weer ja.
‘Jij de sleutel, ik de zaklantaarns.’ Pieter keek alsof hij zelf op vakantie ging.
‘En dan?’ vroeg ik. ‘Wat moeten we dan? Wou je soms iets jatten?’
‘Nee, man. Ik ben niet gek. Ik bedenk wel iets. Speciale verrassing voor Sjoerd.’
Sjoerd woont een paar huizen verderop. Pieter moet hem altijd hebben. Ik weet niet waarom. Volgens mij weet Pieter het zelf niet eens. Hij vindt het echt geweldig grappig om Sjoerd te treiteren. Liefst net zolang totdat hij huilt. Soms doe ik mee. Als Pieter dat persé wil. Dan verstoppen we Sjoerds tas, of we vernielen zijn fiets of we duwen hem in de modder. Echt humor om te lachen.

Mijn moeder lag diep in slaap toen ik het huis uit sloop. De groene lichtjes op mijn horloge wezen twee uur aan. In de brandgang was het doodstil. En pikdonker. Het voelde vreemd om midden in de nacht buiten rond te sluipen. Net of ik een echte inbreker was. Even dacht ik dat Pieter niet kwam. Ik wou al bijna terug naar huis gaan toen ik een tuinhek hoorde knarsen. Voetstappen kwamen dichterbij.
‘Kom op,’ zei Pieter toen hij naast me stond.

Het ging echt hartstikke makkelijk. De sleutel paste en de keukendeur zwaaide zonder piepen open. Twee cirkeltjes licht dansten over de muren, over de vloer, over het aanrecht en de keukenkastjes. We lieten de lichtcirkels verder springen, de gang door, de huiskamer in. Schaduwen schoten tevoorschijn, werden groter en kleiner, als zwarte spoken. Soms dacht ik iets te horen. Het geluid van een familie die onverwacht thuiskomt van vakantie. Rillingen kropen in mijn nek.
‘Wat nu?’ durfde ik te fluisteren.
Pieter hield zijn zaklantaarn onder zijn kin en scheen naar boven zodat  zijn gezicht net een griezelmasker leek. ‘Naar boven,’ grijnsde hij.
Stap voor stap de trap op. Op de overloop konden we kiezen uit vier deuren. De eerste liet een slaapkamer zien – niet die van Sjoerd. Pas bij de derde deur zaten we goed: een kleine kamer met posters van honden en vliegtuigen aan de muur. Op bed zaten Bert en Ernie te wachten tot Sjoerd thuis kwam.
‘Getver,’ zei Pieter. ‘Wat is het toch een watje’. Hij graaide in zijn achterzak en haalde er een stuk touw uit. ‘Moet je opletten,’ zei hij. ‘Kun je lachen.’
Eerst bond hij bij Ernie de armen op zijn rug en daarna bij Bert. Met hun ruggen zette hij ze tegen elkaar. Tenslotte scheurde hij zijn zakdoek in tweeën en snoerde daarmee hun mond.
‘Nou is het net of er echt is ingebroken!’ zei Pieter. ‘Wat zal die sukkel op zijn neus kijken! Hartstikke lachen!’ 
Ik zei niets.
‘Wat is er nou, man?’
Ik zei nog steeds niets.
‘Je houdt je kop, hoor je? Als je ons verlinkt, sla ik je verrot.’ 

Pieter is een kwal. Een idiote klier. Ik heb er lang over nagedacht. Nu weet ik het zeker. Ik ga terug. Alleen. De sleutel ligt in de keukenla. Ergens op zolder moet mijn oude zaklamp te vinden zijn. Mijn wekker staat nog steeds op twee uur. Binnen een kwartier heb ik die poppen bevrijd. En als Pieter erachter komt en boos wordt, dan moet dat maar. Wat kan er mis gaan? Niks.

Ik moet het alleen durven.

 

Voor Taptoe
799 woorden
Tim Gladdines
oktober 2001

Een vis als vriend

Joep was jarig.
Hij werd heel oud.
Hij werd wel acht.
Hij mocht iets moois vragen.

Joep dacht lang na.
Hij vroeg geen hond
En ook geen kat.
Hij wou een vis.

Ik hou van water, zei Joep.
Ik zwem ook graag.
Net als een vis.
Dus vraag ik een vis.
Een vis als vriend.

Joep kreeg wat hij vroeg.
Een grote kom van glas.
Met kiezels op de bodem.
En een paar planten er in.
En kijk, daar zwom de vis.
Midden in het midden.

Wat was Joep blij!
Hij klapte in zijn handen.
Hij sprong in de lucht.
Hij riep: hoera!
Net of de vis ook jarig was.

Hoe noem je hem? vroeg mam.
Witje, zei pap.
Of Vlekkie, zei mam.
Nee, zei Joep.
Hij is niet wit.
En hij heeft geen vlekjes.
Dus heet hij Henk.

Toen Joep naar bed moest vroeg hij:
Mag Henk mee naar boven?
De kom naast mijn bed?
Henk kijkt zo zielig.
Hij voelt zich vast alleen…

Nee, dat gaat niet, zei mam.
De kom blijft hier.
Op de kast.
Zeg maar dag tegen Henk.
Dat deed Joep toen maar.

Slaap lekker, Henk.
Droom maar mooie dromen.
Toen dacht Joep:
Slapen vissen wel?
Met hun ogen dicht?
En dromen ze ook?

Joep werd wakker.
Hij rende de trap af.
Hij keek in zijn kom.
Henk was al wakker.
Hij zag er niet zo vrolijk uit.
Hij zwom een rondje.
En nog een.
En nog een.
Om de planten heen.

Mam? vroeg Joep.
Mag Henk mee naar school?
Dan wordt hij vast weer vrolijk.
Mag het mam?
Ah, toe?

Gekke jongen, zei mam.
Hoe wou je dat doen?
Wou je die kom soms dragen?
Heel dat eind, naar school?
Zonder te morsen?
Zonder te vallen?

Nee, dacht Joep.
Dat lukt me nooit.
Misschien als ik negen ben.
Dan ben ik sterker dan nu.
Dan draag ik Henk overal heen!
Maar nu ben ik nog acht.
En dus zwaaide Joep naar Henk.
Tot straks!

Toen Joep weer thuis was zei hij:
Ik heb een goed idee!
Henk kan niet mee naar boven.
En ook niet mee naar school.
Maar we kunnen wel iets anders.
Samen naar het zwembad!

Wat bedoel je? vroeg mam.
Hoe dan? vroeg pap.
Die kom is te zwaar!
Dat lukt je nooit!

Let maar op, zei Joep.
Henk kan mee, zonder kom.
Heel veilig.
Heel handig.
Heel gewoon.

Joep schepte Henk uit zijn kom.
Niet met zijn handen.
Met zijn duikbril.
Toen zette hij zijn duikbril op.
Met Henk en al.

Voortaan zwemmen ze samen.
Joep en Henk.
Joep vindt het heerlijk.
Henk vindt het zalig.
Ze voelen zich goed.
Als een vis in het water!


Voor Okki
446 woorden
Tim Gladdines